Weblog Johan Swinnen

Artistieke strategieën

13 / 01 / 2012

Mijn partner en ik hebben uit het grote aanbod kunst en cultuur twee verschillende kunstuitingen gezocht om het intellectuele met het esthetische te verbinden: een tentoonstelling en een boek. De expositie ‘Ou Menya’ van Bieke Depoorter in de Kunsthal Rotterdam en het boek ‘Het onbewaakte moment. De gecontroleerde ongecontroleerdheid bij het tekenen’ van Ronny Delrue.

Eerst zijn we gezond gaan eten, want dat bevordert de harmonie tussen ons twee. We hebben ons speciaal hiervoor mooi aangekleed: ik in een soepel vallend zwart jasje en een zwarte das, zij met blote hals en benen. Het lichaam en de geest staan met elkaar in verband. We willen er vooral niet uitzien als Klara-cultuurfreaks. Zo komen we terecht bij restaurant Terra Incognita, vriendelijk en sober, zonder de altijd storende achtergrondmuziek, en we bestellen de dagschotel, gecombineerd met sla. ‘Op mijn werk eet ik ook altijd een gemengde sla vooraf, dat is goed voor de spijsvertering’, zegt mijn partner. Ik bestel een klein flesje Petit Chablis. Hoezo ‘Petit’ ? Zij bestelt bronwater. Ik kijk misprijzend. Natuurlijk is water drinken in principe goed voor de gezondheid: het spoelt de nieren en laat giftige stoffen verdwijnen. Even later zal ze nonchalant van mijn glas meedrinken en zeggen dat het goed is.

Dat alles houdt ons helder van geest. Onze sfeer is vol goesting en ons humeur opperbest. Dus vooruit naar de tentoonstelling van de Vlaamse fotografe Bieke Depoorter die zich driemaal een maand lang liet meevoeren met de Transsiberische Spoorlijn door Rusland, langs vergeten dorpen, van woonkamer tot woonkamer. Toevallige ontmoetingen bepalen haar slaapplaats. Ze overnacht bij willekeurige families, die ze veelal in hun huiskamer fotografeert. Treffend en met een scherp oog voor sfeer, situatie en omgeving legt ze de intimiteit tussen de Russische bewoners vast. Het wordt kijken en het voyeurisme is niet ver weg bij deze foto’s, met welke zij reeds de prestigieuze prijs van Magnum Photos won. Dus ze loopt in de voetsporen van de vader van het beslissende moment Henri Cartier-Bresson.

Mijn vriendin maakt me er tijdens mijn kritisch kijken op attent dat er leuke mensen rondlopen op de expo. Velen zijn echt Hollands joyeus, anderen leuke toeristen. Depoorter toont zich aan ons als een duivelskunstenares. Zij stemt haar publiek vrolijk terwijl het zit te kijken naar hedendaagse fotografiewerken, die ze weet te presenteren vol passie. De geest van de Griekse filosoof en veganist Empedocles is er aanwezig: aarde, water, lucht en vuur. Hij stelde die elementen aan elkaar gelijk en kwam zo tot de leer van de vier elementen. Die verschillen kwalitatief, zijn eeuwig en kunnen zich in diverse verhoudingen met elkaar verenigen om een beeld te geven van de wereld om ons heen. De Franse filosoof Roland Barthes waarschuwde ons al eerder dat we alles in beelden proberen te veranderen: ‘Het hele bestaan is beelden, productie, consumptie, alles is beelden.’ Depoorter probeert enthousiast de Fotografie onder den volke te verspreiden en weet dit perfect te doseren zonder het medium te banaliseren. Ik waardeer de foto’s uit haar reeks Ou Menya omdat ze iets langzaams hebben. De stilstaande beelden van de Russische wereld van de stilstand tonen duidelijk de kracht van de fotografie. Ze gebruikt metaforen: de fotografie als beeldenkerkhof en de schaduwzijde van het opkomend neo-liberalisme. Vandaar dat haar fotografie niet enkel getuigt van een zucht naar nostalgische oorden, maar dat het tevens een reflectie is op de vraag naar het wezen van de fotografie: de werkelijkheid verlangzamen. Mijn partner en mijn hoofd vragen Zen-tijd na deze ontdekkingsreis vol met parallellen, dilemma’s en associaties.

Helemaal vrolijk worden we later aan de tafel in het museumcafé bij het simpele toetje van exotisch citroenschuim. Heerlijk hoe in dit huis wat gelatine, water, suiker en geraspte schil van citroenen verandert in een verfrissend dessert. Spoedig zal er weer ruimte zijn voor verbeelding en nog meer swing. We duiken in het boek van de Vlaamse kunstenaar Ronny Delrue dat het resultaat is van zijn promotie als doctor in de kunsten. Hij interviewde zes kunstenaars: Roger Raveel, Anne-Mie Van Kerckhoven, Philippe Vandenberg, Kris Fierens, Luc Tuymans en Katleen Vermeir. Delrue luistert, noteert. Over leven en werk, twijfels en zekerheden, en vooral over dat ene, bijzondere moment waarop een potloodstreep of een verftoets de aanzet wordt van een meesterwerk. De gesprekken lezen vlot en tollen van de fijne anekdotiek tot verrassende analyse. Ze praten over hun jeugdjaren, moffelen foutjes weg of weten meteen waarheen met potlood en penseel. Hoe voelen ze dat onbewaakte moment aan waarop een losse krabbel een sterk verhaal wordt? Zijn boek bestaat uit kwetsbare woorden die de kunst ontsluiten maar ook troosten.

De grot van Plato

Het is een boeiend kunstacademisch PhD-onderzoek over de afbeelding en de creatie. Filosoferen en de hersenen laten knarsen onder artiesten. Maar de kunstfilosofie liet ook Plato na, de filosoof die te weinig aan bod komt in ons kunstonderwijs in Vlaanderen. De grot van Plato is nooit ver weg. Niets is toeval. De essentie van de ideeënleer van Plato staat duidelijk te lezen in de allegorie van de grot. In een gesprek met Glauco merkt Socrates op dat het met de mens is gesteld zoals met gevangenen in een grot, geketend met de rug tegen de muur, het gezicht onbeweeglijk gericht naar de wand van de grot. Achter de muur bevinden zich figuren die voorwerpen, afbeeldingen van dieren en mensen omhoogsteken als in een schaduwenpoppenspel, want achter hen brandt een vuur dat licht verspreidt. Glauco gaat akkoord met Socrates wanneer die stelt dat de gevangenen zullen denken dat de schaduwen de werkelijkheid zijn, en de geluiden die in de grot weerkaatst worden, de echte geluiden voortgebracht door de eigenlijke schaduwen. De werkwoorden die in dat verband gebruikt worden, zijn belangrijk: zien, omhoogkijken, spreken, met andere woorden zintuiglijke gewaarwordingen en uitingen die een volkomen foutief beeld van de werkelijkheid blijken te geven. Het is de taak van de kunstzinnige opvoeding om het oog van de ziel, niet het zintuiglijke oog, te richten op het Goede en het Schone. In de film The Conformist van Bernardo Bertolucci (gebaseerd op de roman van Alberto Moravia) is er een prachtige scène die de idee van de grot van Plato volledig ontwikkelt, stuurt en verklaart. Marcello Clerici reist naar Parijs om professor Quadri, een antifascistisch leider die naar Frankrijk verbannen is, te vermoorden. Marcello was vroeger zijn leerling en nu moet Marcello het vertrouwen van Quadri winnen en hem in een valstrik van de volgelingen van Mussolini te laten lopen. Ik geef je de raad om deze film te ontdekken en dus te gaan bekijken. Ik wil de wijze waarop Bertolucci de grot van Plato visueel vorm geeft hier niet uitleggen, maar je zal het zien bij de vertoning: het is zo fantastisch en spannend dat je het zelf moet ervaren.

Machelen aan de Leie

Tijd dus voor de tentoonstelling gelieerd aan het onderzoek van Delrue, die we ’s avonds gaan bezoeken in het Museum Raveel te Machelen. De tentoonstelling toont hoe de tekening ook vandaag, in een tijd van hoge technologie, een ideaal medium is om het kantelmoment tussen ongecontroleerdheid en controle in beeld te brengen. Ze kan dan ook heel bepalend zijn bij het tot stand komen van een beeld(taal). Voorstudies, al dan niet als autonome beelden, tonen de weg naar het eindresultaat. De tekening als documentatie, als experiment, als richting en als autonoom beeld met de koppeling naar het schilderij, de video en de film komen aan bod.

Maar eerst gaan we nog even langs bij een Japans restaurant. We overleggen persoonlijk met Mister Yoshi waar we het best rustig kunnen zitten. Hij is gekleed in een kimono. De mouwen zijn zeer wijd en de kimono wordt dichtgehouden door een brede ceintuur, de obi. Ja, ik ben tweemaal in Japan geweest, maar ik ben ook fotograaf en voel me soms ook een beetje regisseur van de plek waar ik me een tijdje al etend wil nestelen. De rauwe vis staat op tafel. Exquis, meen ik te mogen stellen, en het ziet er zo mooi uit dat ik het zou willen plastificeren. Het is aan onze kijk op de werkelijkheid dat er hier iets toegevoegd wordt. Het eetfestijn mag dan vooral een lange opbouw zijn naar het hoogtepunt der confrontatie van smaken, die hier bijzonder fraai gepresenteerd worden, alsof het feest is. Hebben we iets te vieren? Nee, maar we staan altijd open voor een flirt met een andere wereld, waarin we ons omgevormd voelen door krachten die ons te boven gaan. Tijd dus voor intense emoties, een van de belangrijkste kenmerken van het feest. Mister Yoshi komt informeren. Ik kijk jaloers naar zijn getrimde baardje en naar zijn gespierde, gebruinde torso, die hij op cruciale plekken heeft laten versieren met kleurige tatoeages.

We praten aan tafel over het persoonlijk oeuvre van Delrue. Zijn werk wordt gekenmerkt door menselijke aanwezigheid en treffend ondergedompeld in een eloquente stilte. Delrue is een vormonderzoeker. In die zin is hij een man van de abstractie die uitgaat van de vraag ‘wat is vorm?’. Deze vraag poogt hij te beantwoorden door bepaalde vormen te laten evolueren over hun grens heen om als vorm (h)erkend te worden, zodat ze als vormeloos overkomen. Delrue exploreert reeds sinds zijn succesvolle HISK-periode in Antwerpen de grenzen tussen beide categorieën. Hij toont daarmee aan dat die grens inderdaad het gevolg is van een rationele indeling bij een cultureel bepaalde wijze van denken over vorm. Delrue heeft de vormeloosheid in ere hersteld door ze vormelijk te visualiseren. Zo draagt Delrue bij tot de waardering van het vormeloze.

In een spiegel kijken

Onze daguitstap heeft ons het gevoel gegeven alsof we in een spiegel keken. Reflecteren over eigen gedrag en identiteit. Helder of donker, het doet er niet toe. De uitstap is een liefdevol, uiterst zorgvuldig, weemoedig stemmende ervaring geworden van een manier van leven die langzaam maar zeker dreigt te verdwijnen. Het doet me denken aan een anekdote van Barthes. Een klant in een Parijs café zei tegen Barthes: ‘Kijk eens hoe dof de mensen eruitzien, tegenwoordig zijn de beelden levendiger dan de mensen.’ We kregen op deze winterdag in januari 2012 de extase van de kunst in onze schoot geworpen. Die dag waren we zoekende als twee vrijwillig verdoolde zielen. Niet één restaurant, maar twee. Gezond en esthetisch. Niet één tentoonstelling, maar twee. Inhoud en vorm. En met twee boeken-catalogi naar huis. De zoektocht van overdag beleefden we opnieuw in één, want we eindigden met een mond vol goud.

(Johan Swinnen doceert hedendaagse kunstgeschiedenis en beeldcultuur aan de Vrije Universiteit Brussel en is auteur.)

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus - mod

Plaats een antwoord op het bericht