Weblog Johan Swinnen

Vaart wel en tot laters, afscheid bij de Titanic

04 / 05 / 2012

titanic
© 10 april 1912, om twaalf uur ’s middags verliet de Titanic Southampton

De maan

Soms kijk ik naar de maan. Haar uitdrukking verandert naargelang de maand. Ook op de avond dat we voor het eerst gevoeld hebben dat de situatie niet kon blijven duren, dat aan alles een eind kwam. Deze conclusie was droevig, werkelijk droevig. Ik praat weinig, ik voel me zonder kracht en ben bedroefd door het effect van de wijn op de intelligentie van de vrouw, mijn lief voor wie ik respect heb. Ik dacht aan de alcohol, het is een heel gevaarlijke vijand, een vijand met veel macht, die alles kan vernietigen. De herinnering aan mannen waarvan het familiale leven vernietigd was door het leven van een aan alcohol verslaafde vrouw, die beelden kwamen terug in mijn geheugen. Al vanaf kind wist ik dat het geen enkel voordeel had om te vluchten in alcohol. En ik was sowieso een rebel.

Titanic

Ik kon alleen maar toekijken naar dat wat bij ons relationeel vernietigd werd tijdens een bezoek aan de Titanic-tentoonstelling. Na het bekijken van de film in de vroegere kluiszaal verlieten we het bezoekerscentrum en gingen wat wandelen, het was mooi weer, niet meer zo warm, er was een frisse wind die het dorpje deed ademen, maar er was geen enkel contact tussen ons, ik liep wat apart. We liepen naar het station en zagen in de verte een groot huis waar een Vlaamse leeuw wapperde. Dat symboliseerde het gevoel van verlatenheid dat ik ondervond, ik was heel droevig, ik had bijna willen wenen, dat zou me geholpen hebben, maar het was verboden, ik moest elke emotie vermijden want zodra zij er de kans zou toe hebben zou ze het gebruiken tegen ons.

‘Hable con ella’

En vandaag een week later zie ik in een film van Almodovar een gelijkaardige scene waar een man tranen in zijn gezicht had en zich echt verloren voelde en terecht was gekomen tussen de klauwen van de leeuwin. Net als ik terecht gekomen bij een leeuwin die verslindt. Ik herinner me de woorden van de regisseur: ‘Als ik The searchers had geregisseerd, dan had ik John Wayne doen wenen. Volwassen mannen moeten huilen: dat lucht op, als een katharsis.’ Ik had steeds gehoopt dat de semiotica in haar mijn boodschap zou begrijpen maar dat was niet het geval. Die herinneringen zijn pijnlijk.

Het gelaat

Ze had steeds problemen met de aanvaarding dat haar gelaat antipathiek en hard was en afstand uitstraalde. Moest zij aanvaarden dat al jaren haar gelaat geïnterpreteerd wordt met boosaardigheid? Dat haar gezicht aanleiding geeft tot vluchten, zelfs wanneer ze zwijgt? Toen ze klein was, zag ze er al niet erg gracieus uit, ze had dat ontdekt toen ze opmerkte dat bepaalde personen uit haar familie met haar lachten. Ze zag er voor hen ondankbaar uit. Dat was het. En ze waren er droevig over. In haar verdriet moest ze zich verbergen. Ze moest zich als een ongeboren kind helemaal in die vorm buigen. Misschien moest ze verdwijnen en zich nooit in het volle daglicht tonen, tenzij ze haar gezicht artificieel vrolijk kon maken zoals iemand op een carnaval die enkel naar buiten gaat voor het feest. Het is heel moeilijk voor haar om te leven met die hardheid die velen haar verwijten: ook zij van wie ze houdt.

Eiland

Vandaag is zij ver weg, ergens op een eiland waar ik noch de naam noch de ligging van ken. De dag van haar vertrek heeft zij uitgelegd dat zij op zoek ging naar iets wat heel oud was. Zij wilde er niets meer over zeggen. Wist zij zelf wel waarover het ging? Haar reis zou een onbepaalde tijd duren. Minstens enkele weken, misschien maanden, misschien voor altijd. Dat kon niet uitgesloten worden, niemand weet het. Zelfs zij niet, wanneer zij terug zal zijn.

Zij wil zich afkeren of misschien wel beschermen voor de wereld. Hebben we haar allen doen vluchten? Wij die wachten vol ongeduld op haar terugkeer? Maar wachten we echt? Wat verwachten we ?

Pappenheimers

Wie wacht nog op haar? Er zijn bij de verantwoordelijken voor haar vlucht een aantal heel stoute mensen die gedacht hadden dat ze een gevaarlijke en machtige vijand zouden elimineren. Ze waren tot de tanden gewapend. Ze hebben haar onverwachts aangevallen. Ze waren overtuigd dat ze haar in hun val zouden lokken. Ze waren verbaasd dat zij heel weinig weerstand gaf en dat zij geen weerstand bood. Er was een soort dreiging. Er was een fantasme bij die vijanden. Ze hebben haar met de vinger gewezen. In hun dwaasheid hebben ze blind toegeslagen. Eigenlijk zijn ze er bijna zelf aan ten onder geraakt. Het heeft een hele storm veroorzaakt, maar is zij nog wel op een eiland? We hebben elk spoor van haar verloren, maar wie maakt er nu eigenlijk zorgen over haar? Ik ben gebleven waar ik was en wacht op een teken. Zonder te weten of dit zin heeft. Ik weet niet of mijn passieve houding haar ontdekking en haar terugkeer zal kunnen versnellen. De fout zit hem in het feit dat men stopt en er geen enkele beweging meer is, geen enkele ervaring, geen enkele evolutie. Iets stoppen, dat is iets bevriezen. En dat bestaat eigenlijk niet. Ik moet ook weggaan. Ik moet handelen zonder doel. Het zal mijn manier zijn om haar te helpen in haar wil om definitief weg te gaan. Zo kan ik aan haar vertrek een zin geven.

De berg van steen

Men zegt dat liefde bergen kan verzetten. Men zegt dat liefde braakliggende grond in een paradijselijke tuin kan veranderen. Men doet ons geloven in de liefde en in haar kracht. Is dat de kracht? De stilte die hier heerst is er een van een andere wereld. Is het een stilte voor iets of een stilte na iets? De warmte en de wind brengen een boodschap. Waar ben ik? Gaat het om een mentaal universum dat ook steriel is omdat ik besloten heb niet meer te leven? Zou ik ooit gekozen hebben om zo te wachten zonder iets te doen. Immobiel. Ik heb me teruggetrokken uit de wereld. De wereld is dood, want ik vind geen rode draad meer.

Lang geleden is alles al gebeurd. Mijn leven was honderdmaal geleefd. Moest ik dan nog geboren worden? Ik sta stil zoals die dag toen ik inzag dat anderen mijn plaats al hadden ingenomen en dat alles allang gebeurd was. Emigratie is van alle tijden.

Geïnspireerd op expo: ‘Vaart wel en tot laters’, de Belgische opvarenden van de Titanic in HaBe, Bruulstraat 18, Haaltert. Tot 13 mei. Info: www.hkhaaltert.be

Johan Swinnen doceert hedendaagse kunstgeschiedenis en beeldcultuur aan de Vrije Universiteit Brussel en is schrijver.

Georges Vercheval, een duiveltje in een wijwatervat

20 / 04 / 2012

Janus, de god van het openen en het sluiten

Indien fotograaf en gewezen directeur van het Musée de la Photographie te Charleroi Georges Vercheval (°1934) in de gangen van het karmelietenklooster nu het fotomuseum te Charleroi rondloopt - en je zijn lichaamstaal observeert - denk je aan een duiveltje in een wijwatervat. Hij staat symbool voor duisternis en kennis, en daardoor ook voor vrijheid. Hij is in Wallonië tegelijkertijd de god, de militant, de bezieler, de partizaan en de tedere verzetsheld van de sociaal-documentaire fotografie.

Als fotograaf slaagde hij erin de kloosterzusters te verjagen uit het karmelietessenklooster en er een heus fotomuseum in te richten op Europees niveau. En zoals het helden past heeft hij een sterke vrouw aan zijn zijde: Jeanne Vervoort, coiffeuse van opleiding. En beiden hebben ze een profiel dat Waals-combattief klinkt: communist, syndicalist, feminist en ecologist. Beiden hebben zich vanuit de marge geconcentreerd op de meest banale bastaarddiscipline binnen de beeldende kunst: ‘fotografie’.

Schrijven over Georges kan niet zonder te schrijven over Jeanne. Ze zijn met hun tweeën Janus, de god van het begin en het einde, van het openen en het sluiten. Samen beslisten ze met de macht die ze opgebouwd hadden decennialang over het zijn en hebben van fotografie in Wallonië. Ze wapenden zich tegen de autocratie van de Parti socialiste, die ze geregeld moesten plezieren om het gestelde doel waar te maken.

In hun strijd voor de erkenning van fotografie stormden ze door de centrale stadspoort de stad Charleroi binnen. En ondanks verwoede tegenwerkingen van andersgezinden kon men die niet meer sluiten. In de luwte bleef Georges verder fotograferen. Hij nam zijn eerste foto in 1951 en bleef doorgaan met fotograferen tot 1988, en daar is nu een overzichtstentoonstelling van te zien in zijn door hem opgericht museum. De oprichting van het Musée de la Photographie in 1987 heeft het fotografisch oeuvre van Georges enigszins overschaduwd. Weinig mensen hebben het tot heden in zijn totaliteit kunnen aanschouwen.

De Picasso’s van Wallonië

We vergeten tegenwoordig graag wat er de afgelopen decennia is gebeurd. Nu ben ik niet graag nostalgisch, maar weten wat er gebeurd is, blijft leuk en belangrijk. Daarom een blik op zijn biografie. Georges volgt een opleiding fotografie in het Zwitserse Vevey. Daarna ontmoet hij in de academie zijn latere echtgenote. Georges en Jeanne ontdekten al snel gemeenschappelijke interesses. Ze hielden van Georges Brassens en Sydney Bechet. Ze hadden kunstenaarspretenties en dachten dat kunst en cultuur de wereld op een hoger plan konden brengen.

Georges opende een studio als fotograaf en op de eerste verdieping had Jeanne een kapsalon. Voor de buurt waren ze ‘Picasso’s!’. In eerste instantie werd het koppel bewogen door het pacifisme dat in de jaren 1960-1970 zo relevant was. Het waren jaren waarin nieuwe maatschappelijke, politieke en derde-wereldbewegingen tot ontwikkeling kwamen.

Een belangrijk inzicht kwam toen ze de film zagen die Frans Buyens over de staking van 1960 maakte: ‘Combattre pour nos droits’ (1962). De regisseur bracht de dramatische sociale situatie in de streek van La Louvière in beeld. Met twee communistische vrienden gingen ze een groot huis bewonen. Deze vrijplaats was een bijenkorf waar communisten, christenen en progressieve joden samenkwamen. Er werden platen van Louis Armstrong, Harry Belafonte, Duke Ellington, Georges Brassens, Jacques Brel en Léo Ferré beluisterd, maar ook muziek uit Cuba en Israël. Er werd gefeest tot in de vroege uren, de wereld werd veranderd.

Het jaar 1967 bracht echter interne conflicten met zich mee, waartegen ze rebelleerden. Georges en Jeanne werden op stalinistische wijze uit de partij gezet. Voor hen was dit het einde van hun communistische periode. Georges en Jeanne besloten om Brussel te verlaten en trokken zich terug op het platteland. Fotoarchieven krijgen dan hun aandacht. Dat is wat hen in hun jonge jaren had samengebracht, dat is wat hen allebei hielp om dromen te realiseren die ze sinds lang koesterden, en die naar de eeuwwisseling toe werkelijkheid zouden worden: de ‘Archives de Wallonie’ voor Jeanne (1983), het ‘Musée de la Photographie’ voor Georges (1987).

Politieke correctheid, weet je wel

In maart 1996 heeft de overheid Georges en Jeanne politiek pijnlijk op de proef gesteld. Het museum bracht een overzichtstentoonstelling van Willy Kessels (1898 – 1974). Een Brussels fotograaf - geboren in Dendermonde - die beroemd is geworden door zijn setfoto’s van de militante film ‘Misère au Borinage’ (1933) van het duo Henri Storck-Joris Ivens. Kessels ging echter tijdens de tweede wereldoorlog overtuigd collaboreren en verkocht zelfs de linkse Borinagefoto’s aan de SS voor onder meer een propaganda-uitgave van de Belgische SS-Oberstürmbannführer Leon Degrelle.

Ik was als fotocriticus voor VRT-Radio 3 afgereisd naar de persconferentie te Charleroi toen ik ter plekke vernam dat de tentoonstelling niet opende. Ik hoor Georges nog stamelen: ‘C’est une victoire des partisans de l’obscurantisme.’ De Waalse overheid en de stad Charleroi vonden het niet opportuun om in ‘hun museum’ een tentoonstelling toe te laten over een Vlaamse collaborateur. De tentoonstelling is gesloten gebleven, de catalogus bleef ingepakt in dozen. Georges overwoog even ontslag, maar het bleef bij wat retorische taal. Het moet voor hen beiden hartverscheurend geweest zijn om voor deze situatie geplaatst te zijn. Vriend en vijand van de Belgische fotoscène geraken tot vandaag nog in verhitte gesprekken over wat het koppel ‘had moeten doen’.

De minimalisering van de fotografie

Vercheval

© Georges Vercheval, 1975

Elk oog – ook dat van Georges – heeft zijn richting, zijn filters, zijn blinde vlekken, zijn blik, zijn gedrevenheid, zijn beperktheid, zijn knipperingen, zijn ‘l’instant décisif’ die verantwoordelijk is voor het fotografisch handschrift. De politieke, morele en artistieke context heeft hier uiteraard een grote invloed op.

Het valt in deze tentoonstelling op dat Georges zijn oog gedrenkt heeft in het artistieke milieu van zijn bevriende kunstenaars. We zien geen foto’s van de jaren 1968 met de langharige strijders, we zien geen foto’s van manifestaties tegen de NAVO, we zien geen foto’s die als iconen van de anarchistische jaren gekenmerkt worden door het scanderen van ‘de verbeelding aan de macht’.

Dat zien we allemaal niet, we zien wel in de lijn van de fotopioniers Jacques Meuris, Serge Vandercam, Anton Dries en Eric Stockman foto’s die in de echte betekenis van het documentarisme verwijzen naar iets persoonlijk, humaan en met een duidelijke link naar de grafische kunsten. Er is controle op de tonaliteiten, het licht, de donkereffecten, de korrel en de lichtwaarden. Er is zijn creatieve zin in geometrisme en abstractie die vooral gekenmerkt is door de sobere uitvoering. Bij Georges is het te doen om de minimalisering van de fotografie, de kunst van het weglaten. En soms is de stijl van het conceptuele zijn vehikel.

De mijnterrils en vensterramen zijn hiervoor heel dankbaar als onderwerp. Het is kijken naar de banaliteit van zijn omgeving. En toch, hoe mooi wordt plots een 2 PK? De expo confronteert ons met een recent verleden dat conservatief lijkt. Allo? Ga dat zien en zoek tijdens het bekijken de dubbele weerbarstige bodem in zijn vrije fotowerken.

Expo: De overzichtstentoonstelling met het werk van Georges Vercheval is tot 20 mei te bekijken in het Musée de la Photographie, Charleroi. Info: http://www.museephoto.be

Johan Swinnen
(De auteur doceert hedendaagse kunstgeschiedenis en beeldcultuur aan de Vrije Universiteit Brussel en is schrijver)

Leopold Flam en de liefdesglimlach

06 / 04 / 2012

Met vrienden en single Sonja ben ik een trappist gaan drinken in De Monk. Enige tijd later verlieten we ons tafeltje en gingen we richting Arduinkaai. Het was mooi weer, wel niet meer zo warm. Er was een frisse wind die de hoofdstad deed ademen. Er was geen enkel contact tussen ons, ik liep wat apart, de vrienden liepen te praten. Sonja was afwezig met haar gedachten. We spraken haar niet aan, we keken haar ook niet aan, we maakten geen aanstalten om haar te vragen: ‘kom bij ons wandelen’. Het zou als gebaar van troost allemaal artificieel geweest zijn, vooral omdat Sonja een afstand liet tussen haar stap, hun stap en de mijne. Dat materialiseerde het gevoel van verlatenheid, iedereen werd er melancholisch van. Nochtans stond er die avond iets te gebeuren om naar uit te kijken. We stapten samen naar de tentoonstelling over de vrijdenker Leopold Flam (1912 – 1995).

Eeuwige onrust

We vergaten onze zorgen en gingen op zoek naar de visualisatie van Flams denken. Een tentoonstelling maken over een filosoof is niet evident maar de kunsthistoricus en HISK-er (cuvée Antwerpen) Francis Denys verrast met zijn luchtige aanpak. Hij werd bijgestaan door de bezielster van het project de kunsthistorica Jeanine Lambrecht en haar team Willem Elias, Ivan Cloet, Jan Van den Brande, Ann Van Sevenant en Patricia Quintens. Als we aankomen horen we Daan Vinck, student filosofie inleiden: ‘Wat zou je als student vandaag kunnen leren van Flam? Wel, daadkracht en vastberadenheid.’

Déjà vu gevoel voor mij, want gedurende mijn studieperiode aan de VUB kwam tijdens de colleges van Hubert Dethier Flams filosofie uitvoerig aan bod. Flams gedachten beroerden dan ook onze geesten. Zijn statement ‘Een auteur die zuiver logisch schrijft, is niet alleen onleesbaar, maar vals of onwerkelijk.’ liet ons toe om frank te denken en eigenzinnig te schrijven. We werden als student geïntroduceerd in een probleem-denken, dat altijd tegen de algemene stroming in gaat. L.P. Boon wist het ook al: ‘Flam, dat is eeuwige onrust.’

Denken en Existeren

Dethier gaf ons in de voetsporen van Flam het inzicht mee dat films er kunnen in slagen om filosofische thema’s aan de orde te stellen. Ik herinner me nog levendig hoe Dethier doceerde over ‘Hiroshima mon amour’ (Alain Resnais, 1959). Deze film speelt zich af tegen de achtergrond van de atoombomramp. Met zijn welbespraaktheid en treffende woordenschat en debiterend zoals een volbloed acteur liet Dethier ons in het auditorium de aanwezigheid voelen van de twee vrijende lichamen in de begin-filmscène. Ik herinner me nu nog de erotische sfeer vol passie tussen Azië en Europa met die bezwerende taal van Marguerite Duras: Japanse man: Tu n’as rien vu à Hiroshima. Rien. Franse vrouw : J’ai tout vu. Tout. Stilte.

Is een filosofie van film noodzakelijk?’, was de klassieke examenvraag van Dethier. Voor ons was het na een semester reeds evident. We waren getraind om Flam te interpreteren. In zijn boek ‘Denken en Existeren’ vervingen we filosofie door denken, en film door verbeelding.

Dethier gebruikte ook vaak de film ‘L’Année Dernière à Marienbad’ (Alain Resnais 1961) als filosofie. Het was filmgoeroe Luc de Heusch die bij het uitkomen van die film een broeierig, militant debat op de ULB (Union Rationaliste) organiseerde met Alain Resnais, Alain Robbe-Grillet en Leopold Flam als sprekers. Hubert Dethier participeerde aan het debat. De film werd aanvankelijk zwaar aangevallen vanuit marxistische hoek wegens de bourgeoisuitstraling ervan. De personages zijn mensen uit een rijk milieu die in een vijfsterrenhotel verblijven en wezenloos ronddolen. Pas later werd door de filmkritiek en bij Flam duidelijk dat het bourgeoismilieu gehanteerd was als een metafoor om aan te tonen hoe leeg en vervallen ‘onze wereld’ was.

Flam

(Foto: Francis Denys)

 

De expo leert dat Flam verkoos om een eigen werkelijkheid te ontwikkelen die erin bestaat zijn geest als 360° te laten ronddraaien. Dat is ook zo in de wereld van Mariënbad. Resnais gaat op dezelfde manier te werk. Hij exploreert de ruimte met zijn camera, met spiraalvormige bewegingen tast hij dat barokinterieur af. We zien mensen als schaduwen die aan elkaar voorbijglijden en die met elkaar geen contact hebben. De labyrintische tentoonstelling haakt hierop in en toont hoe Flams denken over de complexe problematiek van het leven ook vandaag relevant is.

Bij Flam vormt denken, dialectiek en eros één geheel. Zonder de eros is het niet mogelijk te filosoferen. Eros is het filosoferen zelf: de bemiddeling tussen de zinnelijke en de ideeënwereld. Een lezing van het nieuwe boek van Dethier over ‘Flam en de utopie’ gidst ons om het belang van de subjectiviteit te kunnen inschatten. Je krijgt natuurlijk altijd de imaginaire en de reële wereld die door elkaar cirkelen als een fabriekje van dromen, waarheid en werkelijkheid.

Ik kreeg bij mijn promotie van Dethier het boek ‘Filosofie van de Eros’ van Flam cadeau. Dethier schreef in zijn mooi handschrift: ‘Beste Johan, jij bent vanaf heden een lichtje dat pinkt in de dichte mist van het verleden maar toch onverwachts weer zal opdoemen aan een lichte horizon, aan het einde van een steeds langer wordende levensweg.’ Een mooie gedachte, beste Hubert, die we in leven moeten houden. Laat ons volgende maand nog eens een paardensteak gaan eten bij De Kuiper. Dan kunnen we badineren over onze eros-iconen van de beeldcultuur: Frida Kahlo, Gerda Tarro en Tina Modotti. Samen houden we van hen. Misschien allemaal verbeelding, maar hoe kunnen we ons leven anders aanvaarden als we verlaten worden? Moet men verlies rationaliseren en alles uitwissen?

We zullen Sonja ook uitnodigen, want de nood is hoog aan ‘een liefdesglimlach’. Volgens Flam is dit ‘de spiegelreflectie van de tederheid en genegenheid, tot hij in het heftig genot van het orgasme verdwijnt en het gelaat ernstig, soms zelfs hatelijk vertrokken wordt door het genot, om nadien weer op te klaren in een glimlach, indien er liefde is, anders blijft de ernst van de afschuw na de coïtus op het gelaat gestempeld.

Een manier om met de tijd te spelen?

Johan Swinnen

Expo: Flamboyant – Leopold Flam, filosoof van het tragisch bewustzijn, tot en met 22 april in het AMVB, Arduinkaai 28, 1000 Brussel.

Boek: Op de gelukzalige eilanden. Leopold Flam en de utopie, Hubert Dethier, VUBPRESS, Brussel, 2012

 

 

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Mijn vriend Justin, kunstcriticus

23 / 03 / 2012

Mijn vriend Justin is een vreemde vriend. Hem beschrijven zou lijken alsof ik me inspireer op de beschrijving van het gevaarlijke personage uit een boek van Amelie Nothomb. De persoon uit het boek van Nothomb en Justin hebben een aantal dingen gemeenschappelijk.

Het profiel van Justin is eigenlijk niet zeer markant, het is een beetje een vaag profiel. Hij doet denken aan een kwal die je op een strand soms kunt vinden. En wanneer hij op een terras van een café zit dan heeft hij de vorm van een kleine piramide. Het lijkt dan ook een kwal die op een stoel aanbeland is in plaats op het strand. Natuurlijk, deze kwal heeft wel een ruggengraat en die zit dan onbeweeglijk op de stoel met een romp, met zijn ruggengraat in een halve cirkelvorm. Het is bijna alsof men zou vergeten dat het menselijk leven twee benen heeft. Mijn vriend kijkt graag naar dat wat voorbij komt. Ik zie die dingen niet, die dingen die voorbij komen. Hij wel. Het zijn levende dingen, dingen om mee te lachen, of dingen om zich zorgen over te maken, dingen om onverschillig tegenover te zijn, dingen die provocerend zijn. Zij komen voorbij zoals op een podium, dat kan een catwalk zijn zoals voor de hoge mode à la Dries van Noten, maar er zijn ook mensen die voorbij komen die gehaast zijn - die misschien heel wat te doen hebben en ze zien niet dat mijnheer Justin er is. Mijnheer Justin die ergens probeert zijn keuze te maken uit al die personen. Ik vind dat Justin reeds vrouwen vuil maakt alleen al door er naar te kijken omdat hij de blik die hij ze toewerpt een blik is van verveeldheid. Zij, de vrouwen zien het niet.

Rond de tafel is er veel animatie, hier wordt gedronken, en het non-expressieve gezicht begint te leven, het bier doet wat het verwacht werd te doen, het bier zorgt voor een mirakel. Justin is een soort mannetjesdier dat heel autoritair is, dat niets anders doet dan oordelen, dat verdicten geeft, het is alsof zijn waarheid absoluut en definitief is. Onnodig te zeggen dat ik soms een opmerking of commentaar maak, maar mijn mening of commentaar die telt toch niet, ik ben slechts een vrouwelijk dier, en van een vrouw wordt verwacht dat ze zwijgt, ik maak ook deel uit van die hele groep die men zelfs niet ziet, ze zijn niet helemaal perfect gebouwd, ze zijn misschien een beetje lelijk of gamin, zij worden niet verkozen door het mannetjesdier, dat een harem samen wil stellen. Het zijn eigenlijk wezens die men terzijde laat, maar die kunnen soms toch gevaarlijk zijn, want als ze echte hoeren worden kunnen ze hun vrienden het hoofd op hol brengen.

Ik voel me vuil, het macho gedoe is te sterk, het is een berg, ik kan er niet eens aan denken dat ik die berg moet opklimmen, ik weet dat het absoluut nutteloos is te discuteren, want zodra ik iets zeg zal hij mij meteen de mond snoeren. Hij zal altijd gelijk hebben. Als een café-filosoof zal hij beginnen te argumenteren met pseudogedachten en met hier en daar een erudiet woord ertussen van Nietzsche en Freud. Ik tel dan niet mee. De enige filosoof die ik ooit zag en hoorde was de Elvis van de filosofie Žižek en dan nog in Bozar. Het is onmogelijk om met Justins woorden een gevecht aan te gaan. Ik ben toch echt verveeld, want ik weet dat hij ongelijk heeft en nochtans wint hij elke strijd van woorden wanneer er geargumenteerd wordt. En uiteindelijk geef ik hem gelijk. Want ik ben zomaar niet in staat om direct te antwoorden.

Het is zodanig warm dat mijn hersenen niet kunnen functioneren. Enkel mijn vitale organen krijgen zuurstof. De neuronen en verbindingen ertussen zijn gedehydrateerd. Ze zijn buiten dienst. We moeten lang wachten aan de terrastafel. Na de eerste grote bieren - het lijken wel liters te zijn - moeten er nog anderen komen en het is nooit genoeg, het gaat maar verder. Ik verveel me als een braaf kindje, toch heb ik geduld.

Ik denk aan de expo van Jean-Michel Basquiat die we vanmorgen samen bezochten. Ik was toch onder de indruk van Basquiat maar Justin had besloten dat hij te Afrikaans schilderde om opgenomen te worden in de canon van de hedendaagse kunst. Dat moet ik dan begrijpen. Wat is dat een Afrikaans schilderij ? Wie zal dat beslissen? Wie zal dat definiëren? Ik heb er geen enkel idee van. Ik denk met genoegen terug aan de fototentoonstelling die in de marge van Basquiat te zien was. Foto’s van de Gentse fotografe Carolina Alida. Haar foto’s lijken mij op die vraag te antwoorden maar is waarschijnlijk toch een beetje te eenvoudig en te idioot als antwoord. Toch is er de parallel die ik zeer snel gevoeld heb toen ik keek naar de gelaatstrekken van de geportretteerde vrouw in Niger. Er is een soort spanning, er is de kracht van haar hand of van haar spieren. Maar ook is er de eenvoud in de vrucht die haar animeert. Weet Justin dat er een soort mengsel van kracht en rust uit een foto kan komen? Het doen en laten van deze animistische vrouw wordt langzaam maar zeker verdrongen door de nieuwe Islam uit het Midden-Oosten. Het is een foto die met zichzelf overhoop ligt, ook de stenen van het koningsgraf geven geen richting. Er lopen verschillende energieën doorheen die niet gekanaliseerd worden. Wanneer ik kijk naar de vrouw op de foto dan ben ik echt verliefd geworden op een vrouw die ik nog nooit gezien had en die op hetzelfde moment ongeveer geboren is als een overleden geliefde van me. Ik gaf haar ook wel een zekere Afrikaanse ziel, zij was geboren op El Hierro, een eiland in de schaduw van de Congoboten en Marokko. Zij speelde piano. De foto van Alida is voor mij meer dan een anekdote, het is anders dan een exotisch product, maar wie ben ik om de indringende kracht van een obscure heelster te bevragen in het bijzijn van Justin.

Ik beheers mijn onzekerheden en vernederingen zoals ik kan. Naarmate we begonnen te eten raakten de flessen leeg. Justin zijn rug kromde nog dieper en in zijn ogen zag ik bloed, hij sprak minder en zijn uitspraak werd zwaarder. Ik was toch verbaasd om deze metamorfose te zien. Zijn geest die normaal altijd zo levendig was, zijn aandacht voor allerlei dingen en de merchandise – de vrouwen - gingen in slaapstand.

Johan Swinnen

Geïnspireerd op: Foto-tweeluik ‘Touching the inconceivable’, uit de reeks ‘Inner Spaces, Outer Faces’, Caroline Alida, 2006. Collectie FoMU, Antwerpen. Zie: www.caroline-alida.be

 

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Beeldruis van de bastaard

09 / 03 / 2012

New York, 1999. Ik ontmoet de Amerikaanse fotograaf Shimon Attie. Hij had me met zijn foto’s in een galerie geprikkeld door zijn unieke strategie waarin hij fotografie een centrale rol laat spelen in een beeld-enscenering met het verleden. Ik belde Attie op en nog dezelfde avond nodigt hij me uit in zijn loft in Brooklyn. En dan beluister ik zijn visie over het recycleren van foto’s.

In zijn werk geeft hij een stem aan de herinnering van de geschiedenis. Hij gebruikt historische beelden die hij vond in Joodse archieven in Berlijn, Amsterdam en Kopenhagen. Foto’s gefotografeerd in deze wijken waar de joden verbleven tijdens de Tweede Wereldoorlog voordat ze werden vermoord in de gaskamers. Deze archiefbeelden projecteerde hij tegen de muur van de plaats waar ze oorspronkelijk genomen werden.

Het verleden wordt zo geconfronteerd met het heden. Het project laat zowel de noodzaak als de problematiek van het geheugen zien evenals het trauma van de holocaust. Attie maakt ons attent op het dagelijks leven onder het fascisme dat ooit zijn gang ging in deze straten. De gruwelen zijn niet te zien op de foto’s, maar duiken wel op in het verhaal dat de toeschouwer zelf moet invullen vanuit zijn historische kennis.

De materialiteit van het fotografische beeld zelf

Ik lees nu - 13 jaar later - in mijn vergeeld cahier dat we samen uitgebreid op zoek waren naar de omschrijving om hem als artiest te definiëren. Was hij nu een ‘a photographer’, ‘an installation artist’ of ‘a public artist’? We vonden dat toen blijkbaar belangrijk om zijn projecten die hij deed in Europa te kunnen duiden. Ik omschreef in een recensie voor Radio 3 zijn werk als een ‘wounded landscape in a post-traumatic situation’.

Ik lees verder dat we nog gepraat hebben over zijn wereldse zoektocht naar een ‘home’ en dat hij zich cultureel zowel ‘insider’ als ‘outsider’ vond. Ik nam na het gesprek een tiental foto-afdrukken mee om ze te kunnen tonen op de tentoonstelling ‘Attack!’ van het Holland Festival te Amsterdam. In de meimaand 1999 zag ik dat de talrijke bezoekers - in een tijdperk voor Photoshop - vreemd keken naar de marcherende SS-ers aan de Amsterdamse grachten. Het realiteitsgehalte was hoog en daardoor verwarrend.

Slide  Projection of the former Hebrew Bookstore Shimon Attie

Witte ruis

Vorige week bezocht ik de tentoonstelling ‘Imaging History’ in het Fotomuseum te Antwerpen waar ik tot mijn genoegen Atties’ historische foto’s opnieuw zag. Ik herinner me dat ik tijdens die NY-reis het boek ‘White noise’ las. Reeds op pagina 16 trof Don Delillo me in mijn hart met volgend fragment over de aura van de fotografie, niet enkel in de betekenis van bevestiging (‘ça-a-été’ van Barthes), maar ook als uitvergroting (‘Blow up’ van Antonioni):

“Enkele dagen vroeg Murray mij iets over een toeristische trekpleister die bekend staat als de meest gefotografeerde schuur van Amerika. We reden vijfendertig kilometer het land in, de kant uit van Farmington. We zagen weiden en appelboomgaarden. Witte hekken kronkelden door de golvende weiden. Al gauw dienden zich de borden aan. DE MEEST GEFOTOGRAFEERDE SCHUUR VAN AMERIKA. We telden vijf borden voor we er waren. Op de provisorische parkeerplaats stonden veertig auto’s en een touringcar. We liepen over een koeienpad naar het licht verheven punt dat gereserveerd was om te kijken en te fotograferen. Iedereen had een fototoestel; sommigen hadden een statief, telelens, filterset. Een man in een hokje verkocht ansichtkaarten en dia’s – opnamen van de schuur gemaakt vanaf en keken naar de gefotografeerde mensen. Murray bewaarde geruime tijd het stilzwijgen en krabbelde zo nu en dan wat aantekeningen in een boekje.

‘Niemand ziet de schuur,’ zij hij ten slotte.

Er volgde een lange stilte.

‘Zodra je de borden van de schuur hebt gezien, wordt het onmogelijk om de schuur te zien.’

Hij verviel opnieuw in stilzwijgen. Mensen met fototoestellen verlieten de verheven plek en werden onmiddellijk vervangen door anderen.

‘We zijn hier niet om een beeld vast te leggen, we zijn hier om er een in stand te houden. Elke foto bekrachtigt de aura. Voel je wel, Jack? Een opeenhoping van naamloze energie.’

Er viel een langgerekt stilzwijgen. De man in het hokje verkocht ansichtkaarten en dia’s.

‘Hier aanwezig zijn is een soort geestelijke capitulatie. We zien alleen dat wat de anderen zien. De duizenden die hier in het verleden zijn geweest, degenen die hier in de toekomst zullen komen. Met aller instelling maken we deel uit van een collectieve perceptie. Daardoor wordt onze waarneming letterlijk gekleurd. In zekere zin een religieuze ervaring, zoals elk toerisme.’

Er volgde weer eens stilte.

‘Ze nemen foto’s van het foto’s nemen,’ zei hij.

Hij zweeg een tijdje. We luisterden naar het onophoudelijk geklik van sluiterontspanners, het ritselende geknars van hendels waarmee de film werd doorgedraaid.

‘Hoe was de schuur voordat hij werd gefotografeerd?’ zie hij. ‘Hoe zag hij eruit, in welk opzicht verschilde hij van andere schuren, in welk opzicht leek hij op andere schuren? Die vragen kunnen we niet beantwoorden omdat we de borden hebben gelezen, de mensen die foto’s hebben zien nemen. We kunnen niet buiten de aura komen. We maken deel uit van de aura. We zijn hier, we zijn nu.’

Dat leek hen immens genoegen te doen.”

Waar tot op heden elke fotohistoricus woorden te kort komt om de daad van de fotografie te beschrijven krijgen we bij Delillo een schitterende exposé van de foto als spoor én bewijs. We weten het al sinds Walter Benjamin: eenmaal dat de fotografie als medium zijn intrede deed kregen we te maken met de geschiedenis van de blik. Met het aura van een werk bedoelde Benjamin het unieke en eenmalige van een kunstwerk. Volgens Attie heeft de projectie van zijn fotografische archiefbeelden als gevolg dat het aura terugkeert en daarmee ook de uniciteit van het beeld.

Nieuw engagement

Een fotomuseum is de historische en tegelijk publieksgerichte plek bij uitstek voor iedereen, maar is dat zo? Beantwoordt bijvoorbeeld het Antwerps fotomuseum aan dit doel? Wel, deze keer met ‘Imaging History’ is het een schot in de roos. Geniet van alle foto’s van deze tentoonstelling (inclusief het vervreemdend werk op Sagalassos van Bruno Vandermeulen en Danny Veys) maar neem vooral de tijd om Attie zijn engagement te doorgronden gebaseerd op het wilde medium fotografie dat zo vaak als bastaard binnen de vrije kunsten wordt beschouwd.

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod